Pionieren met glasvezel in de jaren ’60 en ’90

21 mei 2015

De moderne kabelnetwerken, zoals die van Ziggo of DELTA, bestaan uit zowel glasvezelkabel als coaxiaal- kabel. Men spreekt dan ook wel van een HFC-netwerk: Hybride Fiber Coaxial. De optische techniek van glasvezel vindt haar oorsprong in de jaren ’60 van de vorige eeuw en word door de kabel al op grote schaal gebruikt sinds de jaren ’90!

In een HFC-netwerk worden de signalen van radio, TV, breedbandinternet en telefonie door het kabelbedrijf met glasvezelkabel aangevoerd tot diep in de woonwijk. De distributie van de laatste paar honderd meter naar de woning vindt plaats via de bestaande coaxkabel. Data gaat in een HFC-netwerk voor 97% via glasvezel en voor 3% via coax.

Kabel verglaasde al in de jaren ’90

Tram met Casema reclame- jaren '90

Tram met Casema reclame in de jaren ’90

Het voordeel van glasvezelkabels ten opzichte van coaxkabels is dat grote afstanden kunnen worden overbrugd, zonder veel signaalverlies. Om dit voordeel te benutten hebben alle Nederlandse kabelbedrijven al in de jaren ’90 hun coaxiale netwerken tot op gemiddeld 300 meter van de woning vervangen door glasvezelkabel. Een voorbeeld daarvan is A2000, later UPC, nu Ziggo. De coaxkabels die nu in de grond liggen zijn relatief kort, waardoor het aantal versterkers beperkt kan blijven. Het nadeel van coaxkabels is daarmee de facto reeds in de jaren ’90 ongedaan gemaakt.

Charles Kao: de vader van glasvezel

De geschiedenis van glasvezel gaat natuurlijk nog verder terug. In 1966 stond Charles Kao aan de wieg van de verbinding die alle Nederlandse kabelabonnees dagelijks intensief gebruiken. Hij won er in 2009 de Nobelprijs voor!